Teken

Teken.


Teken zijn geleedpotigen en lijken op kleine platte spinnetjes. Teken behoren dan ook tot de spinachtigen (dierklasse Arachnidae, subklasse Acari). Teken ondergaan vier levensstadia: ei, larve, nimf en volwassen teek (zie foto). De larve heeft zes poten maar de nimf en de volwassen teek hebben acht poten.



Teken voeden zich met het bloed van zoogdieren, vogels en reptielen, de zogenaamde gastheren. Het ei-stadium is passief en voedt zich niet. Elk volgend stadium voedt zich slechts eenmalig, en ondergaat daarna een rustperiode waarin het volgende stadium ontstaat. De volwassen mannetjes en vrouwtjes paren. De paring vindt meestal plaats op de gastheer. Na de paring zuigt het vrouwtje zich vol met bloed en zwelt haar lichaam zichtbaar op. Als ze volgezogen is laat ze zich op de grond vallen. Het vrouwtje heeft het bloed nodig voor de ontwikkeling van de eitjes. Als de eieren rijp zijn, legt het vrouwtje deze op de bodem, waarna zij sterft. Ze legt 1000 tot 2000 eieren. De eieren worden in de herfst gelegd. Mannetjes kunnen meerdere keren paren en hebben geen bloed nodig en zullen dus ook niet bijten. In het volgende voorjaar komen de larven uit, die zich voeden op kleine knaagdieren (muizen) en vogels. Aan het einde van de zomer vervellen de larven tot nimfen, die in winterrust gaan. In het volgende jaar voeden de actieve nimfen zich op een grote variatie aan zoogdieren en vogels. Aan het einde van de zomer vervelt de nimf tot volwassen teek (mannetje of vrouwtje). De volwassen teken gaan in het volgend voorjaar op zoek naar een gastheer, meestal een grote grazer zoals ree, hert of wild zwijn, maar ook schapen, runderen, paarden, honden en katten kunnen als voedselbron dienen.


Waar leven teken?


De schapenteek houdt zich bij voorkeur op in een gemengd loofbos met een ondergroei van blauwe bosbes en/of varens. De teek wordt ook vaak aangetroffen in dennenbossen met een dichte, hoogopgaande laag van grassen. In deze bostypen worden veel kleine knaagdieren aangetroffen, met name de bosmuis en de rosse woelmuis, maar ook een aantal soorten spitsmuizen. Deze dieren vormen de voornaamste voedselbron voor de larven van de schapenteek. Omdat teken zich niet ver kunnen verplaatsen, zijn ze afhankelijk van een hoge dichtheid van deze knaagdieren, zodat ze gemakkelijk in de buurt van hun voedsel kunnen komen.


De schapenteek komt nauwelijks voor in open terrein zoals weilanden, uiterwaarden en heidevelden.



Hongerige teken klimmen omhoog langs de stengels van grassen, planten en struiken, totdat ze op een hoogte zitten waarbij ze gemakkelijk op een passerende gastheer kunnen overstappen. Teken zitten maar in zeer beperkte mate in bomen. Larvale teken blijven veel lager zitten dan nimfen, die op hun beurt lager zitten dan volwassen teken. Als een gastheer (bijv. muis, vos, fazant, wild zwijn of ree) deze planten aanraakt, weet de teek dat een


gastheer in de buurt is en zal ze proberen via huidcontact een overstap te maken. In tegenstelling tot wat veel mensen denken kunnen teken niet springen. Eenmaal op de gastheer, loopt de teek naar specifieke plaatsen op het lichaam van de gastheer toe. Bij larven zijn vooral de oren en neus geliefd, nimfen voeden zich ook vaak op het oor, maar worden ook wel bij de staart of in de hals gevonden. Volwassen teken kunnen zich overal op het lichaam bevinden, maar hechten zich vaak in de hals en onder de staart.



Wanneer zijn teken actief?


Teken kunnen het hele jaar actief zijn mits de temperatuur hoog genoeg is.


Normaal gesproken begint het aantal actieve teken in de loop van maart te stijgen. In de periode april tot en met september worden de hoogste aantallen nimfen waargenomen, met de hoogste aantallen meestal in het voorjaar. Het aantal larven loopt ook in april sterk op. Het hoogste aantal larven wordt in de periode juni tot en met september waargenomen.



Teken zitten vooral in hoog schaduwrijk gras en dode bladeren bij bomen en struiken. Teken vallen in principe niet uit bomen. Vermijd in een tekenrijke omgeving contact met lage planten en struiken zodat teken niet op uw lichaam over kunnen stappen. Mensen die in aanraking komen met teken (zoals boswachters, hoveniers en militairen) wordt aangeraden zichzelf extra te beschermen tegen tekenbeten.



De onderstaande tips bieden geen garantie dat u geen tekenbeet oploopt. Het blijft dan ook belangrijk om lichaam te controleren op tekenbeten en kleding op de aanwezigheid van teken nadat u in het groen bent geweest.



•Blijf zoveel mogelijk op de paden en vermijd dichte begroeiing en struikgewas.


•Draag dichte schoenen, lange mouwen en een lange broek. Stop broekspijpen in uw sokken. Op lichte kleding zijn teken beter te zien. Indien u regelmatig de kleding inspecteert gedurende het verblijf in het groen kunt u teken al voordat ze op de huid komen en zich vastbijten verwijderen.


•Draag kleding die is geïmpregneerd met het insectenwerend middel Permetrine


•Spuit uw kleding in met een insectenwerend middel dat DEET (diethyltoluamide) bevat met een minimum concentratie van 30% en smeer de onbedekte huid in met een middel dat DEET bevat. DEET zit verwerkt in diverse antimug-middelen, maar de stof werkt ook afstotend op teken. DEET blijft ongeveer 6 uur actief.



Het belangrijkste advies is om uw huid en kleding goed te controleren en teken te verwijderen nadat u in het groen bent geweest.


Bron: www.tekenradar.nl